Natuur
Karakterisering
Het Drielandenpark is een overwegend kleinschalig (cultuur)landschap tussen twee grote natuurgebieden: de hoge natte bossen met hoogveen en heide (Hoge Venen, Eifel, Ardennen) en de droge boscomplexen van de Belgische Kempen. Daartussenin vindt men:
- rijke en gevarieerde loofbossen - bossen komen vooral voor op de armere gronden van de plateaus, steile hellingen en de natste plekken, vaak in de beekdalen van het Land van Herve, de Voerstreek, en het Mergelland;
- halfnatuurlijke graslanden met belangrijke floristische waarden waaronder de zeldzame kalkgraslanden op de steile kalkhellingen van Haspengouw, Mergelland en Voerstreek;
- groeven en natuurlijke grotten komen verspreid voor in het gebied en zijn een biotoop voor zeldzame diersoorten zoals vleermuizen, reptielen, roofvogels en amfibieën;
- bijzondere bron- en kwelmilieus verspreid over het gebied;
- beken en beekdalen hebben een belangrijke ecologische betekenis en vormen samen met de aangrenzende hellingen de basis van de ecologische structuur;
- de akkers op de plateaus zijn belangrijke broedgebieden voor akkervogels en het leefgebied voor de ernstig bedreigde hamster;
- landschapselementen als heggen, hoogstamboomgaarden, graften en holle wegen herbergen belangrijke natuurwaarden van het kleinschalig cultuurlandschap;
- tenslotte zijn er enkele bijzondere locaties met karakteristieke biotopen (St. Pietersberg, de oevers van het Albertkanaal).
Voornaamste knelpunten
- verdwijnen van landschapselementen door een schaalvergroting van het landgebruik en het uitblijven van landschapsbeheer
- natuurgebieden zijn klein, versnipperd, en kwetsbaar en leiden tot genetische isolatie van kleine populaties
- dichtslibbing van de "open gaten" tussen de grote steden, terwijl zij de enige mogelijkheid vormen voor de natuur om de stedenband te doorkruisen.
- toenemende barrièrevorming door HSL en andere spoorwegen, verkeerswegen en de grote kanalen.
- afwijkende aanpak in soortenbescherming in de verschillende landsdelen
Ontwikkelingsmogelijkheden
De voorgestelde strategie t.a.v. natuur bestaat uit de volgende fasen:
- vastleggen van de belangrijkste ecologische structuur, waaronder tevens vallen de bestaande Natura 2000 terreinen en de ecologische corridors langs de beekdalen;
- realisatie van deze ecologische structuur door het veilig stellen en vergroten van bestaande natuurgebieden (door aankoop, beheersvergoedingen, gebruiksbestemming en beperkingen);
- verbinden van deze natuurgebieden met de grootschalige natuur in de Ardennen (ZO) en Kempen (NW) door de realisatie van ecologische corridors langs de beekdalen van de Geul/Gulp, Berwine/Voer en Worm/Roode Beek;
- herstel en beheer van kleinere landschapselementen in het cultuurlandschap (graften, heggen, houtwallen).
Mogelijke thema- en gebiedsuitwerkingen:
- groene verbindingen aanleggen en versterken via Geul-Gulpdal, Berwijn-Voerdal-Jekerdal-Albertkanaal en Worm-Roode Beekdal (de meeste verbindingen kruisen het Maasdal);
- behoud, ontwikkeling en beheer van kalkgraslanden (Voerstreek, Mergelland);
- conservering van het St. Pietersberg complex op de grens van Nederland en België (Montagne Saint Pierre);
- verbetering waterkwaliteit en herstel biotopen voor karakteristieke flora en fauna;
- verbeteren van de habitats en tegengaan van versnippering ter uitwisseling van populaties van kleine organismen (zoals amfibieën en vlinders);
- opstellen en regionale afstemming van gebiedsgerichte soortenbeschermingsplannen (voor de meest kwetsbare en karakteristieke soorten) en uitvoering van concrete maatregelen.